Ik vroeg eens op Twitter wie er ontwikkelingsmateriaal op niveau indeelt. De meerderheid reageerde met dat ze dat inderdaad doen. Op welke manier dan ook, met stickertjes, kleurtjes, of gewoon door te zeggen: dat is voor groep 1 en dat is voor groep 2. Met het artikel van vandaag wil ik NIET zeggen of dit goed is of niet. Ik wil je vandaag 5 redenen geven waarom je het niet zou moeten doen.

5 redenen waarom je materialen niet op niveau moet indelen - Juf Bianca

Stel, je bent een kleuter die net 4 jaar geworden is, en die voor het eerst naar ‘de grote school’ mag. Je komt binnen in het klaslokaal (even in gedachten door je knieën zakken), dat gevuld is met allerlei onbekende kinderen. Het staat ook vol met materialen, sommige herken je, andere zijn totaal onbekend. Hierbij speelt natuurlijk een grote rol wat je voorschoolse situatie is geweest. Ben je naar de peuterspeelzaal of een kinderdagverblijf geweest? Hebben je ouders thuis voor een rijke omgeving gezorgd? Speelde je veel met andere kinderen? Speelde je veel buiten? Je staat in het nieuwe lokaal, en om je heen staan allerlei mensen en dingen die je aandacht trekken.

1. Dat kan jij (nog) niet.

Als je als kleuter voor de kast met ontwikkelingsmaterialen staat, wordt je door een mede-kleuter haarfijn uitgelegd wat je wel en niet mag pakken. Hoe voorzichtig je ook bent met de uitleg van de indeling, kleuters weten meestal precies wat je ermee bedoelt. Dat is voor groep 1, dat is voor groep 2. Punt. En jij als nieuwe kleuter mag materialen pakken uit de kast van groep 1.

Hiermee zegt de leerkracht dus eigenlijk tegen jou: dat wat in die andere kast staat is nog te moeilijk voor jou. Dat kan jij nog niet. Kies maar iets makkelijks, iets uit deze kast. Nummer 3 van de 5 dingen die je niet tegen een kleuter moet zeggen, is: dat kan jij (nog) niet. Hoe weet de leerkracht nu wat jij als kleuter wel of niet kan? Misschien maak je thuis wel puzzels van 100 stukjes, omdat je toevallig in de gevoelige fase voor het puzzelen zit. Je ouders voelden dat aan, en hebben je flink laten puzzelen, steeds een beetje moeilijker. Daar sta je dan voor de groep 1 kast, met puzzeltjes tot 20 stukjes…

2. Wie heeft er last van?

Laten we eerlijk zijn: wie heeft er ‘last’ van wanneer een kind iets pakt waar hij of zij eigenlijk nog niet aan toe is? Jij als vierjarige kleuter pakte een doos met allemaal kleine kaartjes, je hebt geen idee wat je ermee moet doen. Je kiepert de hele inhoud van de doos op de tafel, en begint er wat in te rommelen. Vervolgens richt je je weer ergens anders op, je hebt immers ook de spanningsboog van een vierjarige! En nu… ligt de tafel vol met allerlei kleine kaartjes die de leerkracht net zo mooi op volgorde gesorteerd had.

Maar wie heeft er nu last van? Jij als kind waarschijnlijk niet, je hebt niet gevoeld dat je dit nog niet kon. Je hebt er namelijk geen opdracht bij gekregen, je hebt gewoon een ervaring opgedaan met het materiaal. (namelijk: geen idee wat ik ermee moet, volgende keer maar niet meer pakken. Of: leuk joh, die kleurige kaartjes, er staan allemaal plaatjes op die ik wel ken! Volgende keer weer eens pakken!) De leerkracht heeft er last van, want het moet weer opgeruimd worden *zucht*.

3. Aanpassen

De slimme kleuter, die thuis toevallig al heel ver is met puzzelen, ziet dat het in groep 1 de bedoeling is dat er puzzels van 20 stukjes gemaakt moeten worden. Van potentieel hoogbegaafde kleuters is bekend dat ze zich als de beste aan kunnen passen aan de omgeving. Als de omgeving zegt ‘dit kan jij nog niet’, dan leert het kind dat het die vaardigheid niet moet laten zien op school. Het gevaar van onderpresteren ligt op de loer, evenals het gevaar van demotivatie. Want kun je je voorstellen dat er geen lol aan is een puzzel te moeten maken van 20 stukjes, als je er thuis al van 100 stukjes maakt?

Trouwens, niet alleen de leerkracht kan dit gedrag bij een kind oproepen door teveel uit te gaan van gemiddelden. Ook de medeleerlingen doen dit, onbewust! Want zoals ik al eerder zei, weten ze vaak heel goed te vertellen hoe ‘het’ allemaal gaat in de klas. En alles wat anders gaat, is raar. Tenzij de leerkracht hierop inspeelt en uitlegt dat anders juist leuk is, en soms ook heel gewoon. Want het ene kind kan goed puzzelen, het andere kind kan heel goed fietsen. Zo gaat dat nou eenmaal: als je ergens in geïnteresseerd bent, vind je het leuk en wil je het leren. Dat maakt het ene kind niet knapper dan het andere.

4. Hoge verwachtingen

Uit onderzoek is gebleken dat leerkrachten die hoge verwachtingen hadden van de prestaties van hun leerlingen, vaak ook betere resultaten boekten. Zou dat niet ook op gaan in de kleuterklas? Als jij een hoge verwachting hebt (kinderen puzzelen thuis, dus het zou kunnen dat dit kind goed is in puzzelen), dan durf je ook het kind met moeilijke materialen te laten werken.

Een leerkracht die hoge verwachtingen heeft van de ontwikkeling van kleuters, heeft meer kans dat de kinderen hoge resultaten laten zien. Of misschien werkt het juist andersom: als je lage verwachtingen hebt, is het voor de kinderen heel gemakkelijk hieraan te voldoen, maar zullen ze minder snel hogere resultaten laten zien.

5. Observeren

Als je kinderen niet confronteert met een moeilijke situatie, kun je het kind ook nooit in zo’n situatie observeren. Hoe gaat het om met een taak die veel te moeilijk is? Probeert het iets? (legt het de kaartjes die bij elkaar horen naast elkaar?) Is het snel de interesse kwijt of blijft het langer geboeid? Wordt het nerveus als het iets niet kan? Bijt het zich er juist in vast (ik moet en zal weten wat ik hiermee moet doen)? Vraagt het andere kinderen om hulp?

En het kind dat de opdracht wél blijkt te kunnen, ook al had je dat niet verwacht? Je maakt een mentale notitie: dat kind moet ik de komende tijd eens verder observeren, om te zien wat het nog meer kan. Bij het slimme kind is de motivatie een grote factor: een kind dat zich vastbijt in de taak zou best eens een potentieel hoogbegaafd kind kunnen zijn. Wat zou het mooi zijn als dat kind ook uitgedaagd wordt, zodat het in de ontwikkeling vooruit komt. Als je het kind niet in deze situatie geobserveerd had, had je dit nooit geweten! Want, zie nummer 3, als je er niet om vraagt, is de kans klein dat een kind het uit zichzelf laat zien.

Wat vind jij? Hoe ziet jij kast eruit? Ben je het eens met wat ik hierboven geschreven heb?

Laat het ons weten!